Vaak wordt de term ‘brandveilig’ gebruikt, terwijl er nog niet eens sprake is van ‘vluchtveilig’. Daarom doet Hans Sevenstern een oproep aan de overheid om bij het toepassen van de bouwregelgeving niet langer de term ‘brandveilig’ te gebruiken.

De brandweer wordt in Nederland nog altijd gezien als een autoriteit. Dus als de brandweer zegt dat een pand ‘brandveilig’ is, dan heeft het publiek – particulier en zakelijk – daar een perceptie bij. Maar klopt deze wel? Is het pand ook ‘vluchtveilig’? Laat ik u meenemen naar mijn eigen praktijk.

‘Vluchtveilig’
Een ondernemer krijgt een controle door de Veiligheidsregio in het kader van vergunningverlening. Bij de evaluatie krijgt hij te horen ‘van die meneer in dat uniform’ dat hij het goed voor elkaar heeft en dat zijn gebouw ‘brandveilig’ is. Maar een week later brandt het gebouw tot de grond toe af. En op advies van de brandweer was er nog wel een automatische brandmeldinstallatie aangebracht. Wat nu? Deze ondernemer dacht: in geval er brand ontstaat wordt deze snel gedetecteerd, snel geblust door de brandweer, en ben ik weer snel up &  running. Dat is zijn perceptie bij de term ‘brandveilig’. Ik heb als property risk engineer en tevens actief vrijwillig brandweerman deze man met veel koffie weer terug op aarde kunnen brengen.

‘Brandveilig’
Dergelijke voorbeelden zijn ook te geven in het particuliere domein waar door acties van de brandweer in het kader van ‘brandveilig leven’ brandmelders zijn opgehangen, waarna wordt gezegd: “Zo u bent nu ‘brandveilig’”. Zonder ook maar een moment aandacht te schenken aan de uiterst brandbare inrichting met bijvoorbeeld de bouwpakketmeubelen. U snapt het al. De voorbeelden geven weer dat men in het gunstigste geval ‘vluchtveilig’ is. In beide gevallen is/was de inrichting/opslag van/in het gebouw niet meegenomen in de overwegingen. In geval van een brand ontwikkelt deze zich zo snel, dat slechts beschermen van de belendende percelen, wat publieksstralen of nablussen het enige is dat de brandweer kan doen. Maar deze werkelijkheid wordt door het publiek niet zo gezien. De verzekeringsindustrie daarentegen is realistischer en heeft in ieder geval 85 procent van alle bedrijfsmatig gebruikte gebouwen met een afbrandscenario te boek staan.

Brand
Als we naar de definities kijken is die perceptie van de burger niet vreemd.

Brand: vernieling door vuur (van Dale); een door verbranding veroorzaakt en met vlammen gepaard gaand vuur buiten een haard, dat in staat is zich uit eigen kracht voort te planten (verzekeringstechnisch).

Veilig: beschermd tegen gevaar (van Dale).

Brandveilig: toestand van een acceptabel risico met betrekking tot het uitbreken en de gevolgen van brand, die ook door betrokkenen als zodanig worden ervaren (BrandweerNL); beveiligd tegen brand (Woordenlijst Nederlandse taal).

Vluchten
Zelden is er de juiste aandacht voor inrichting, opslag en gebruik van een gebouw. Te vaak past het niveau van ‘brandveiligheid’ niet bij het gebruik van het gebouw. We kijken over het algemeen vooral naar het ‘vluchten’, naar het lijkt bij een leeg gebouw.

Zeker in de zorg (care) begin ik mij daar nu ernstig zorgen over te maken. Daar gebeuren momenteel zaken, die mijn boerenverstand in ieder geval te boven gaan. Door de bezuinigingen en wijzigingen in de zorg worden meer en meer aanleunwoningen en serviceflats door de zorginstellingen verkocht aan woningcorporaties/-stichtingen.

Zorginstellingen
Een voorbeeld: Neem een serviceflat van zeven verdiepingen met zelfstandig wonende bewoners tussen de 65 en 96 jaar, waar door verzorgenden en verpleegkundigen zorg werd verleend. Het gebouw wordt verkocht en de hulp wordt wijkhulp. Zo verandert de functie van het gebouw van ‘zorgfunctie’ naar ‘woonfunctie’, want het is nu los van het verpleeghuis met bedpatiënten. Dan is er ineens geen verzorging of verpleging 24/7 meer aanwezig, maar ook geen bedrijfshulpverlening. Aan de zelfredzaamheid bij brand van de bewoners is echter niets veranderd, gaat de OMS eraf en wordt het een PAC, en in het ergste geval wordt zelfs de brandmeldinstallatie afgekoppeld en ontmanteld. Bovendien is de binnengang niet ineens in een buitengalerij veranderd. Maar op papier zijn de bewoners volledig zelfredzaam.

De zorginstelling heeft ineens geen zorgplicht meer en de woningcorporatie/-stichting zet het aapje bij de bewoners op de schouder. Die bewoners hebben in geval van een incident/calamiteit nog steeds een verwachting, die helaas onterecht blijkt te zijn. Dit terwijl de woningcorporatie/-stichting wel degelijk deze zorgplicht heeft, maar hier helaas geen gehoor aan geeft.

Trappenhuis
De grote discrepantie zit vooral in de definities vanzelfredzaamheid van de zorg- en bouwregelgeving. Iemand kan in de zorg, ondanks rolstoel, rollator of scootmobiel, prima zelfredzaam zijn en voor zichzelf zorgen. Echter, als men nauwelijks kan zien, met een rollator loopt, of in een rolstoel zit en de ‘bekende’ weg is geblokkeerd door rook, dan is vluchten via een onbekend noodtrappenhuis zonder hulp geen optie. Als men het trappenhuis in de rook al kan vinden. Dit terwijl zelfredzaamheid in de bouwregelgeving er vanuit gaat dat men zelfstandig kan vluchten. Tenminste, als het om woningen gaat.

Volgens mij is hier duidelijk sprake van het veranderen van de spelregels tijdens de wedstrijd. Dan vallen er ineens dodelijke slachtoffers te betreuren en schieten we zo snel als mogelijk in de verdediging. Nog voor de rook is opgetrokken en de resten van het gebouw zijn afgekoeld, wordt door de burgemeester en de regionale brandweercommandant in koor geroepen dat het gebouw ‘brandveilig’ was. Terwijl de calamiteit in al zijn extremen aantoont, dat het nog niet eens ‘vluchtveilig’ was. In ieder geval was de brandveiligheid niet afgestemd op de bewonerspopulatie en -situatie.

Bewoners
Diezelfde burgemeester en regionale brandweercommandant vergeten dat zij primair de verantwoordelijkheid dragen voor ‘het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt’ (art. 3, lid 1a Wet Veiligheidsregio’s). Hierdoor zijn de brandweermensen de ‘nieuwe bedrijfshulpverleners’ voor de bewoners geworden, bij deze in functie veranderde gebouwen.

Verantwoordelijkheid
Ineens heeft de zorginstelling geen zorgplicht meer en de gelijkwaardigheid die gekozen was door de zorginstelling – bedrijfshulpverleners –  zijn van de ene op de andere dag niet meer aanwezig. De woningcorporatie/-stichting ziet het als een ‘gewoon’ appartementengebouw/wooncomplex. Iedere huurder is zelf verantwoordelijk: ‘my home is my castle’ (Huurrecht). Bewoners van een woning hebben hun eigen verantwoordelijkheid en hebben tenslotte geen plicht tot het inrichten van een bedrijfshulpverlening.

Met deze veranderingen, zeker voor deze ‘verminderd zelfredzame’ populatie en het slechts voldoen aan minder dan het Bouwbesluit – gelijkwaardigheid is weg – mag je deze gebouwen niet meer ‘brandveilig’ noemen. Als we niet ingrijpen, zal escalatie van een incident naar een calamiteit een normaal fenomeen worden. Sterker nog, uit recente incidenten blijken deze gebouwen nu al niet eens ‘vluchtveilig’ te zijn.

Bouwregelgeving
Volgens mij moeten wij daarom de terminologie veranderen en daarmee aansluiten bij de perceptie die de burger erbij heeft/zou moeten hebben. Dat zou er dan wat mij betreft als volgt uit moeten zien:

Vluchtveilig: Het gebouw voldoet slechts minimaal aan het Bouwbesluit en de BIO-maatregelen zijn afgestemd op standaardgebruikers. Dit kan dus betekenen dat men toch door de ‘niet standaardgebruikers’ hier en daar moet kiezen voor wat zwaardere eisen. We spreken hier over veilig (?) kunnen vluchten met aansluitend afbrandscenario.

Brandveilig: Het gebouw voldoet daadwerkelijk aan het Bouwbesluit en is goed afgestemd op een gebruiksfunctie passend bij de bewonerspopulatie en met de juiste BIO-maatregelen. Dit betekent dat brandscheidingen voldoen, bijvoorbeeld door dak en gevel heen steken met de juiste maatvoeringen, goede zelfsluitende deuren en goed zijn afgedicht. Met andere woorden, er is daadwerkelijk sprake van juist gekozen en uitgevoerde WBDBO-scheidingen. Er worden daadwerkelijk onbrandbare isolatiematerialen toegepast. Er is aanvullend een functioneel brandbeveiligingssysteem aangebracht, passend bij het gebruik van het pand en de aanwezige opslag. De opvolging van het brandalarm is 24/7 geregeld met een snelle reactietijd binnen enkele minuten. Alles binnen de 60 minuten WBDBO-scheidingen brand uit. Daar buiten zal er rook-, roet- en waterschade zijn.

Brandbestendig: Het gebouw heeft een goede mix van bouwkundige en installatietechnische maatregelen, afgestemd op het gebruik en de opslag en is uitgerust met een actief brandbeveiligingssysteem in de vorm van sprinkler of watermist volgens wereldwijd erkende standaarden, zoals NFPA of FM Global (ook door grote internationale verzekeraars erkend). Waarbij vooral sprinklersystemen zich in de afgelopen 150 jaar ruim bewezen hebben. Er is alleen schade in de ruimte waar de brand is ontstaan en nevenschade is nihil.

Bij ‘brandveilig’ en ‘brandbestendig’ is er sprake van integraal op elkaar afgestemde BIO-maatregelen, gebaseerd op risico’s. Er is een helder en doordacht ‘brandveiligheidsconcept’. Er is dus geen normgedreven ontwerp, maar een risicogedreven ontwerp met de juiste functionele BIO-maatregelen. Dit in tegenstelling tot ‘vluchtveilig’ waar wel sprake is van een normgedreven ontwerp.

Schijnveiligheid
In de praktijk betekent dit, dat de overheid – meestal de brandweer (gemandateerd) – andere voorlichting en advisering zal moeten gaan geven en misschien wel moet stoppen met ‘brandveilig leven’ acties als men bij de burger niet de juiste voorlichting weet te geven. Brandveilig leven te pas en te onpas toepassen zonder aandacht voor het gebouw, gebruiker en inrichting is ‘window dressing’ en creëert schijnveiligheid en verwachtingen die nooit waargemaakt kunnen worden. Iemand die de brandweer belt, omdat de melder steeds een piep geeft (batterij leeg), heeft het verhaal niet begrepen. Of het niet met voldoende aandacht verteld gekregen. De uitleg van het waarom zal dus herhaald moeten worden.

Zelfredzame mensen
De perceptie van de burger die de brandweer nog steeds als autoriteit ziet, moet dan ook veranderen. Natuurlijk hebben de rookmelders, geplakt bij ‘zelfredzame mensen’, mensenlevens gered. Maar zelden werd erbij verteld dat je met rookmelders nog steeds geen brand voorkomt en dat je er al helemaal de brand niet mee kunt blussen.

Wanneer gaat de brandweer het bedrijfsleven vertellen dat de door hen geadviseerde automatische brandmeldinstallatie met doormelding naar een PAC met eerste opvolging door een beveiligingsdienst – dus zonder snelle opvolging in de nacht en weekenden – slechts een ‘afbrandmeldinstallatie’ is? Door de jaren heen blijkt dat er jaarlijks circa 100 grote branden zijn met een schadelast boven 1 miljoen euro. Deze schade ligt gemiddeld rond 350 miljoen euro op jaarbasis.

Vuurlast
Daar ligt wat mij betreft de uitdaging voor de brandweer. En dus niet meer vertellen dat een pand ‘brandveilig’ is, terwijl het een puddingconstructie is vol met vuurlast die na 20 minuten brand al inzakt. Het is de taak van de overheid om de perceptie bij de burger te veranderen. Let wel, deregulering alléén helpt niet, als je mensen niet tegelijkertijd risicobewust gaat maken. Alleen samen kunnen we Nederland beter en veiliger maken.

Dit artikel schreef Hans Sevenstern. Hij is Senior Consultant Property Risk Consulting. 

Bron: brandveilig.com